frge
nl | fr  
  Home | | | |
 
   
 

Context

Stelt U zich eens voor, een jaar waar vlak na de zomer de olieprijzen stijgen tot ongekende hoogte. Verschillende oorzaken. Extreme weersomstandigheden beschadigen of vernietigen olieplatformen, de spanning in het Midden-Oosten loopt op, een niet-stabiele situatie in andere olie-exporterende landen, een conflict met een van grootste gas-uitvoerende landen escaleert, de speculatie op de wereldmarkt neemt toe, enz. En dat met de winter voor de deur in ons land. Een periode waarin het energieverbruik het grootst is. Zeker voor de verwarming van gebouwen. En dus ook van woningen, waar U en ik wonen of waar mensen behorende tot de sociaalzwaksten van onze samenleving en die het vaak met een zeer bescheiden salaris moeten rooien. Science-fiction? Nee. Dit gebeurde op het einde van de zomer 2005.

 

Top

   
 

Structurele aanpak

En dan is de vraag: “Wat kan de regering hieraan doen?” Jazeker, op korte termijn moet voor de sociaalzwaksten iets gebeuren. Met de winter voor de deur kunnen we hen niet – letterlijk – in de kou laten staan. Dus verlengde de federale regering de maatregel om hen een stookoliecheque te geven, een eenmalige tussenkomst die het leed van de hoge energieprijzen wat moest helpen verzachten. Iedereen kreeg zelfs een korting op zijn of haar energiefactuur. Het probleem is echter dat we er mogen van uit gaan dat de situatie die werd beschreven niet eenmalig is. Volgend jaar of het jaar daarop kunnen we in dezelfde situatie belanden.

Het geven van een cheque aan de inwoners van het land draagt niet bij tot de structurele welvaart van zijn inwoners. Hoogstens enkelen worden beter van die hogere energieprijzen. U en ik niet, en zeker niet diegenen die behoren tot de sociaalzwaksten in onze samenleving.

Goed besturen is dan ook vooruitzien. Het inschatten dat een situatie zich zou kunnen herhalen en vervolgens een beleid voeren gericht op preventie. En dat is net wat ontwikkeld werd1. Een bijdrage tot een beleid gericht op het permanent minder verbruiken van energie in de woningbouw.

Het is ook een voorbeeld bij uitstek van duurzame ontwikkeling. Deze maatregel, waarover verder meer, illustreert perfect een aanpak gericht op de drie pijlers van duurzame ontwikkeling: de economische, de sociale en de ecologische pijler. Immers : wanneer U en ik minder energie nodig hebben voor onze woning, dan is dat goed voor onze portemonnee (de economische pijler). Wanneer de meest behoeftigen in onze samenleving, bij het besparen op het energieverbruik actief worden geholpen, dan bekommeren we ons om de sociale pijler. En tot slot, hoeft het nog gezegd: een lager energieverbruik draagt bij tot het verminderen van de uitstoot van broeikasgassen en heeft een positief effect op het bestrijden van nog veel andere milieuproblemen (de ecologische pijler).

 

Top

   
 

Even illustreren

U of ik stellen vast dat onze maandelijkse energiefactuur toch nog behoorlijk hoog is en we willen daar iets aan doen. Een energieaudit, al dan niet gratis, helpt bij het maken van de keuze van de meest aangewezen energiebesparende investeringen. Een kosten-batenanalyse is hierbij een leidraad. Daarin staat ondermeer de terugbetaalperiode van de geplande investering via de energiebesparing bepaald. Hierbij werd ondermeer rekening gehouden met de fiscale aftrek én de gewestelijke, provinciale of gemeentelijke subsidies die in rekening kunnen worden gebracht.

Maar dan blijft er nog een bedrag over dat moet betaald worden. Dat bedrag kan in een keer vereffend worden of via een lening worden gefinancierd. Misschien is er wel een reden waarom U eerder dan alles via één betaling liever, een lening wilt aangaan over pakweg 5 jaar. Welnu, dan kunt U via de lokale entiteit in uw stad of gemeente terecht bij het Fonds. Daar kunt U voor maximum 10 000 Euro een goedkope lening aangaan. De rente wordt bepaald door de Raad van Bestuur van het Fonds maar zal altijd beduidend lager liggen dan de marktrente. U ondertekent een contract met de lokale entiteit waarin U zich engageert tot de terugbetaling van de lening.

De sociaalzwaksten hebben echter wel wat andere bekommernissen aan het hoofd dan energiebesparing, zo zou je denken. In feite is dat ook zo. Zij behoren echt tot de meest behoeftigen van onze samenleving en elke steun is welkom. Ook een initiatief om hun maandelijkse energiefactuur te doen dalen. En veelal wonen de meest behoeftigen in een oudere woning waar geen dubbel glas of dakisolatie aanwezig is en/of waar de verwarmingsketel dringend aan vervanging toe is. Het is daarom dat het Fonds van deze lokale entiteiten zal vragen dat zij optreden als een ESCO (‘Energy Service Company’).

 

Top

   
 

Concrete werking

Hoe gaat dat dan in zijn werk? Eerst en vooral zal de lokale entiteit samenwerking met het OCMW. Het OCMW (of een andere lokale sociale dienst) komt in contact met de mensen van de doelgroep. Ze bekijken samen de mogelijkheden van energiebesparing. Een beslissing over de investeringen wordt genomen, indien het gezin geen eigenaar is van de woning, in samenspraak met de eigenaar. Die wordt altijd maximaal geresponsabiliseerd. Een contract wordt opgemaakt waarin precies wordt bepaald wie wat doet en wie welke verantwoordelijkheid draagt. Vervolgens belast een lokale entiteit een aannemer met de werkzaamheden. De werf wordt opgevolgd, de werken worden opgeleverd en de terugbetaling van de gemaakte kosten kan starten. Op basis (van een deel) de uitgespaarde energiefactuur wordt maand na maand een bedrag terug betaald, gespreid over 5 jaar.

U vraagt zich misschien af: “Wie is die lokale entiteit, waarvan verschillende keren sprake?” Welnu, daar speelt de autonomie van de gemeente. Het is de gemeente die, in samenspraak met het OCMW, de lokale entiteit aanduidt. Dat kan een autonoom gemeentelijk bedrijf, een sociaal verhuurkantoor, een netwerkbeheerder, enz. zijn. De gemeente moet aan het Fonds bewijzen dat die lokale entiteit in staat is om haar taak te vervullen. De lokale entiteit moet een grondgebied bestrijken waar ongeveer 25.000 inwoners wonen. Steden of grote gemeenten komen daar gemakkelijk aan. De andere kunnen bovengemeentelijk samenwerken. Het moet immers de bedoeling zijn dat de lokale entiteiten voldoende kritische massa ontwikkelen om hun taak naar behoren te kunnen vervullen. Zij krijgen daar trouwens een financiële steun voor van het Fonds. Dat kan omdat het Fonds op haar beurt een jaarlijkse dotatie ontvangt van de federale overheid.

Tussen het Fonds en de lokale entiteit wordt een samenwerkingsovereenkomst afgesloten met sluitende bepalingen over eenieders rechten en plichten. Veel meer hierover is te lezen in het beheerscontract dat de federale overheid afsloot met het Fonds2. Ook de afbakening van wie behoort tot de meest behoeftigen werd netjes geformuleerd3.

 

Top

   
 

Financiering

Het Fonds heeft een maximale schuldpositie van 150 miljoen Euro. Deze kan worden ingevuld door het ophalen van obligaties met staatswaarborg en fiscaal voordeel. Dit kapitaal moet – als een rollend fonds – dienen voor de energiebesparende investeringen in woningen (max. 10 000 Euro per woning). Het financiële plan voorziet in een benutting gespreid over 5 jaar, d.w.z. ongeveer 20 miljoen per jaar. Bijgevolg kunnen in België minstens 2 000 woningen per jaar worden bediend, zowel via goedkope leningen voor iedereen als via begeleide investeringen bij de sociaal zwaksten in onze samenleving. Er zal worden verwacht dat elke lokale entiteit jaarlijks middelen besteedt voor een 100 à 200-tal woningen.

 

Top

   
   
  1 Op voorstel van de Minister van Leefmilieu en de Staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie heeft de regering de oprichting van het initiatief ingeschreven  in de Programmawet – Titel III-Diverse bepalingen van 27 december 2005, Hoofdstuk VIII-Duurzame ontwikkeling. Oprichting van het Fonds ter Reductie van de Globale Energiekost (Belgisch Staatsblad van 30 december 2005).

  2 Koninklijk Besluit van 1 juli 2006 tot vaststelling van het beheerscontract van het Fonds ter reductie van de globale energiekost (Belgisch Staatsblad van 6 juli 2006).

  3 Koninklijk Besluit van 2 juni 2006 houdende de definitie van de doelgroep van de meest behoeftigen van het Fonds ter reductie van de globale energiekost (Belgisch Staatsblad van 6 juli 2006).